Categorieën
Bedrijfskundige analyse Duurzaam ondernemen & subsidies Fiscale optimalisatie Fiscale tips & valkuilen Groei & strategie Herstructurering & reorganisatie Nieuws Ondernemerscoaching Rechtsvorm kiezen of wijzigen Rechtsvorm van je bedrijf Startersbegeleiding Subsidieadvies Volledige boekhouding

Hoe groei in het mkb werkt: verwachtingen, spanningen en fases

Groei in het mkb voelt zelden als vooruitgang op het moment dat het gebeurt. Je omzet neemt toe, je agenda loopt voller en toch voelt het alsof er minder ruimte is dan daarvoor. Niet één groot probleem, maar een reeks kleine signalen die samen iets vertellen. Betalingen die zwaarder voelen dan verwacht. Beslissingen die je uitstelt, terwijl het jaar goed was. Een gevoel van druk waar je vooraf juist meer lucht had verwacht.

Dat ongemak is geen teken dat er iets misgaat. Het is een aanwijzing dat groei zich anders gedraagt dan je intuïtie voorspelt. In het mkb werkt groei niet lineair, niet direct en zelden zonder frictie. Wie begrijpt hoe groei zich ontwikkelt, kijkt anders naar cijfers, keuzes en tempo. Niet om te sturen, maar om te begrijpen wat er gebeurt voordat groei daadwerkelijk ruimte geeft.

Inhoudsopgave

Groei verloopt niet gelijkmatig, maar in sprongen

Veel ondernemers denken over groei in percentages. Tien procent meer omzet voelt overzichtelijk en beheersbaar, alsof het bedrijf in hetzelfde tempo doorgroeit. In de praktijk werkt het anders. Omzet groeit vaak geleidelijk, maar kosten doen dat zelden. Die komen in stappen: een extra medewerker, een grotere locatie, meer ondersteuning. Tegelijk groeit de complexiteit sneller dan beide. Meer klanten betekent meer variatie, meer uitzonderingen en meer afstemming.

Dit patroon zie je ook terug in landelijke cijfers over het mkb, waaruit blijkt dat bedrijven wel omzetgroei realiseren, maar moeite hebben om structureel door te groeien in productiviteit en schaal (bron: CBS – Bedrijven in het mkb groeien beperkt). Groei voelt daardoor zwaarder dan verwacht. Niet omdat je inefficiënt werkt, maar omdat de vorm van groei anders is dan de cijfers suggereren. Het effect van groei is ongelijk verdeeld in tijd, aandacht en geld, en daardoor lastig te voorspellen op gevoel alleen.

Groei werkt altijd met vertraging

Beslissingen die je vandaag neemt, hebben zelden direct hun effect. Kosten zijn zichtbaar op het moment dat je ze maakt. De opbrengsten volgen later. Nieuwe mensen zijn niet meteen productief. Processen lopen pas na verloop van tijd soepeler. Ook klanten reageren op schaalvergroting: facturatie, betalingstermijnen en verwachtingen veranderen mee.

Die vertraging zorgt ervoor dat groei vaak eerst aanvoelt als achteruitgang. Je investeert tijd, geld en aandacht, terwijl de ruimte nog uitblijft. Dat is geen fout in de uitvoering, maar een vast kenmerk van groei. Juist daarom wordt vooruitkijken belangrijk zodra een bedrijf een bepaalde omvang bereikt. Niet om zekerheid te creëren, maar om tijd en spanning zichtbaar te maken. Wie dat wil verdiepen, herkent hier de reden waarom werken met financiële prognoses vaak meer zegt over timing dan over voorspellen.

Groei vergroot wat er al was

Groei creëert zelden nieuwe problemen. Het vergroot bestaande eigenschappen. Dunne marges worden voelbaar. Handmatige werkwijzen worden kwetsbaar. Afhankelijkheid van één persoon wordt een risico. Wat eerder werkbaar was, komt onder spanning te staan.

Dat is de reden dat groei vaak samenvalt met twijfel. Niet omdat je het verkeerd doet, maar omdat de schaal verandert. In de praktijk zie je dit terug in situaties waarin winst wel zichtbaar is, maar ruimte ontbreekt. Dat mechanisme wordt vaak aangeduid als schijnwinst: een logisch gevolg van groei die bestaande verhoudingen uitvergroot, zoals verder uitgewerkt in het artikel over schijnwinst in het mkb.

Groei vraagt eerst draagkracht voordat het ruimte oplevert

Elke groeifase vraagt een investering die je niet altijd direct terugziet in opbrengst. Extra omzet vraagt voorfinanciering. Meer klanten vragen aandacht. Meer mensen vragen begeleiding. Tegelijk neemt het aantal fouten en correcties tijdelijk toe, simpelweg omdat systemen en routines nog moeten meebewegen.

Dat verklaart waarom groei vaak krap voelt voordat het lucht geeft. Niet omdat de groei verkeerd is, maar omdat het bedrijf eerst moet leren dragen wat erbij komt. Wie alleen kijkt naar het eindresultaat, mist deze tussenfase. Wie begrijpt dat groei eerst ruimte kost, kan realistischere verwachtingen vormen over tempo en draagkracht.

Elke groeifase in het mkb kent een eigen breekpunt

Wat je hier heeft gebracht, is zelden wat je verder brengt. Werkwijzen die goed passen bij een klein team, lopen vast zodra het groter wordt. Beslissingen die je op gevoel kon nemen, vragen ineens afstemming. Overzicht verandert in afhankelijkheid. Dat voelt vaak alsof het probleem ineens ontstaat, terwijl het in werkelijkheid het gevolg is van een overgang naar een volgende fase.

Die breekpunten zijn geen falen, maar structurele momenten waarop groei van karakter verandert. De vragen die je bedrijf stelt, verschuiven. Van doen naar organiseren. Van overzicht naar afspraken. Van impliciete kennis naar overdraagbaarheid. In het artikel over hoe een bedrijf succesvol groeit worden deze groeifases verder uitgediept en herkenbaar gemaakt, juist om te laten zien dat zulke overgangen bij groei horen en voorspelbaar zijn.

In groei veranderen cijfers van terugblik naar signaal

In een stabiele fase laten cijfers vooral zien wat er is gebeurd. In groei krijgen ze een andere functie. Ze worden signalen die laten zien waar spanning ontstaat. Niet om te beoordelen, maar om te begrijpen.

Het gaat dan minder om het eindresultaat en meer om de verhoudingen eronder. Waar zit vertraging? Waar groeit de complexiteit sneller dan de opbrengst? Waar schuift ruimte langzaam dicht? Ondernemers die hier scherper op willen letten, ontdekken dat sturen op cijfers vooral betekent dat je leert zien wat er onder de oppervlakte gebeurt.

Waarom groei juist goed georganiseerde ondernemers verrast

De spanning van groei treft zelden de ondernemer die alles laat liggen. Ze treft juist degene die levert, bijstuurt en verantwoordelijkheid neemt. Groei ontstaat daar vaak op kwaliteit. En precies dat maakt de overgang lastig zichtbaar.

Klanten zijn tevreden. Het team werkt door. Jij vangt veel op. Daardoor merk je de grens laat. Tot het moment dat het systeem het niet meer vanzelf draagt en je voelt dat de manier waarop je altijd werkte, niet meer past bij de omvang van je bedrijf.

Begrijpen hoe groei werkt, verandert hoe je kijkt

Zodra je begrijpt dat groei vaste eigenschappen heeft, wordt het minder persoonlijk. Het ongemak krijgt context. De twijfel krijgt een verklaring. Groei blijkt geen beloning, maar een overgang naar een ander spel.

Cijfers blijven daarbij een hulpmiddel. Geen conclusie, maar richtingaanwijzers. Wie dat kader eenmaal ziet, kan betere keuzes maken over tempo, richting en draagkracht. Niet door harder te werken, maar door anders te kijken.

Bronnen en context

Categorieën
Bedrijfskundige analyse Duurzaam ondernemen & subsidies Fiscale optimalisatie Fiscale tips & valkuilen Groei & strategie Herstructurering & reorganisatie Nieuws Ondernemerscoaching Rechtsvorm kiezen of wijzigen Rechtsvorm van je bedrijf Startersbegeleiding Subsidieadvies Volledige boekhouding

Wat betekent zzp’en in 2026 nog?

Over keuzes, risico’s en structuur in een zzp-model dat niet meer vanzelfsprekend is

Zzp’en in 2026 is nog steeds mogelijk. Alleen: het is minder vanzelfsprekend voordelig, zorgeloos of simpel. Voor sommige ondernemers blijft het zzp-model logisch. Voor anderen begint het te wringen. Niet omdat ze minder goed ondernemen, maar omdat de spelregels zijn veranderd.

Fiscale voordelen zijn in hoog tempo afgebouwd. Wetgeving rond arbeidsrelaties wordt minder gedoogd en strakker gehandhaafd. En risico’s die vroeger impliciet waren, liggen nu explicieter bij jou. De korte conclusie is simpel: zzp’en in 2026 vraagt meer samenhang tussen hoe je werkt, hoe je geld verdient en hoe je risico’s draagt.

Wie hier landt, zoekt meestal geen snelle ja of nee, maar helderheid. Helderheid over wanneer zzp’en nog logisch is, waar het schuurt, welke risico’s structureel zijn en waarom de vraag ‘moet ik iets anders?’ steeds vaker opkomt. Wat volgt is geen betoog en geen stappenplan, maar een analyse die zichtbaar maakt waarom het oude vanzelfsprekende zzp-model steeds minder vanzelfsprekend is.

Inhoudsopgave

Het oude zzp-gevoel was een simpel ruilmodel

Dat gevoel was niet naïef of verkeerd. Het paste bij de context van toen en werkte zolang de randvoorwaarden meebewogen.

Lang voelde zzp’en overzichtelijk. Je ruilt tijd en expertise voor een tarief. De administratie volgt vanzelf. De belastingdruk is te voorspellen. En als het druk is, voelt dat als controle.

Dat ruilmodel werkte goed in een periode waarin zelfstandigheid vooral werd beoordeeld op intentie. Wie zichzelf ondernemer vond en zich zo gedroeg, werd ook zo behandeld. De fiscale regels sloten daarbij aan. Minder vaste lasten dan loondienst, een duidelijk ondernemersregime en relatief weinig discussie over de vorm.

In 2026 werkt dit model nog steeds, maar niet meer automatisch. Zelfstandigheid wordt minder gevoeld en meer getoetst. Niet alleen door de Belastingdienst, maar ook door opdrachtgevers, banken en verzekeraars. Het tarief moet daardoor méér dragen dan alleen de uren. Het moet ruimte bieden voor risico, onzekerheid en onderbouwing.

Juist door zelfstandig werken van toen naast dat van nu te leggen, wordt duidelijk waarom dit kantelpunt nu zo voelbaar is.

Winst voelt anders nu de fiscale onderlaag verandert

De zelfstandigenaftrek is in korte tijd veranderd van een substantiële steunpilaar naar een relatief klein bedrag. In combinatie met vaste belastingtarieven betekent dit dat dezelfde omzet en winst in 2026 netto minder opleveren dan in eerdere jaren.

Dat effect wordt vaak pas laat zichtbaar. Niet in de boekhouding, maar in de beleving. Een jaar dat inhoudelijk goed voelt, levert minder ruimte op dan verwacht. Niet omdat de cijfers onjuist zijn, maar omdat de fiscale onderlaag waarop jarenlang is gestuurd, structureel is veranderd.

Dit raakt niet alleen uitzonderlijk hoge winsten, maar juist ook de zogenoemde goede middenjaren: jaren waarin alles klopt, maar de financiële ruimte toch dunner aanvoelt dan vroeger.

Wat hier vaak door elkaar loopt, is winst en liquiditeit. Dat onderscheid bepaalt in 2026 steeds vaker of een jaar als ‘goed’ of ‘krap’ wordt ervaren. Winst zegt iets over resultaat, maar niet over hoeveel geld er daadwerkelijk beschikbaar is om keuzes te maken. Belastingen, privé-opnames en reserveringen drukken op dezelfde winst, waardoor het gevoel van ruimte sneller verdampt.

Daardoor ontstaat een nieuw spanningsveld. Tarieven die jarenlang logisch waren, blijken ineens krap. Extra uren maken voelt als de enige oplossing, terwijl het probleem niet in productiviteit zit, maar in de manier waarop winst wordt verdeeld over belasting, privé en toekomst.

Wie dit verder doorgrondt, ziet hoe het onderscheid tussen winst en ruimte door fiscale wijzigingen steeds bepalender is geworden.

Wanneer cijfers volgen, maar niet meer sturen

Veel zzp’ers hebben hun administratie goed op orde. De cijfers kloppen. De aangiftes zijn op tijd. Toch voelt het steeds vaker alsof beslissingen worden genomen vóórdat de cijfers iets zeggen.

Dat komt omdat de meeste administraties zijn ingericht op verantwoording, niet op sturing. Ze laten zien wat er is gebeurd, maar niet wat er aankomt. In een omgeving met afnemende fiscale ruimte en toenemende risico’s is dat steeds minder voldoende.

Keuzes over tarief, investeren, reserveren of samenwerken worden dan gemaakt op gevoel. De cijfers volgen achteraf en bevestigen hooguit dat het krapper of spannender is geworden.

Juist in 2026 maakt dat verschil. Wie pas bij de aangifte ziet hoeveel ruimte er werkelijk was, is te laat om bij te sturen. Niet omdat de administratie tekortschiet, maar omdat de informatie niet wordt gebruikt als richtinggevend instrument.

Daarmee verschuift de aandacht van meer vastleggen naar scherper kijken naar wat dezelfde cijfers zeggen.

Wanneer tijd nog steeds je belangrijkste product is

Er zijn alternatieven die dit patroon kunnen doorbreken, zonder dat meteen schaal, personeel of een ‘groter bedrijf’ nodig is. Niet als oplossing, maar als andere manier om naar waarde en beloning te kijken.

Veel zzp‑modellen leunen nog altijd op één kern: tijd ruilen voor geld. Dat werkt zolang inzet, energie en beschikbaarheid vanzelfsprekend zijn.

In 2026 schuurt dit model vaker. Niet alleen omdat het fysiek of mentaal begrenst, maar omdat steeds meer verplichtingen op dezelfde uren drukken. Verzekeren, pensioen, buffers en belasting moeten allemaal worden gefinancierd uit dezelfde inzet.

Daardoor ontstaat afhankelijkheid. Niet alleen van opdrachtgevers, maar van het eigen werkvermogen. Groei betekent vaak: meer werken of duurder worden. Uitval betekent: direct inkomensverlies.

Dat maakt het verdienmodel zelf een strategisch onderwerp. Niet iedereen hoeft te schalen of te veranderen. Maar wie uitsluitend leunt op tijd, merkt dat flexibiliteit en zekerheid steeds lastiger te combineren zijn.

Hier wordt zichtbaar waarom het verdienmodel zelf steeds vaker onderwerp van gesprek wordt.

Wanneer langdurig samenwerken onder druk komt te staan

Sinds de herstart van de handhaving op schijnzelfstandigheid kijken opdrachtgevers anders naar inhuur. Niet vanuit wantrouwen, maar vanuit risicobeheersing. De juridische en fiscale gevolgen van een verkeerde kwalificatie liggen primair bij hen.

Die verantwoordelijkheid vertaalt zich niet alleen in contracten, maar in gedrag. Opdrachtgevers stellen meer vragen vooraf. Ze willen weten hoe zelfstandig je werkt, hoe vervangbaarheid is geregeld en hoe de opdracht zich verhoudt tot hun eigen organisatie.

Juist langdurige samenwerking wordt daardoor gevoeliger. Wat jarenlang stabiliteit gaf, kan nu vragen oproepen. Vaste dagen, structurele aanwezigheid en inhoudelijke aansturing schuiven langzaam richting een profiel dat juridisch lastiger te verdedigen is.

Voor de zzp’er raakt dit direct aan strategie en positionering. Lang bij één opdrachtgever werken voelt veilig, maar vergroot tegelijkertijd de afhankelijkheid. Meer spreiding geeft juridische rust, maar vraagt om commerciële inspanning en onzekerheid.

Die afweging is niet nieuw. Maar zelfstandig werken is veranderd, en de is toetsing scherper geworden. Juist in de praktijk wordt hier duidelijk waar langdurige samenwerking schuurt.

Een BV lost geen verkeerde arbeidsrelatie op

De gedachte om over te stappen naar een BV ontstaat vaak op momenten van onzekerheid of groei, juist op het snijvlak van fiscale druk, langdurige samenwerking en toenemende onzekerheid. Alsof een andere rechtsvorm automatisch meer duidelijkheid of veiligheid biedt.

In de praktijk verandert een BV niets aan de feitelijke manier van werken. Als de samenwerking inhoudelijk kenmerken van loondienst heeft, blijft die kwalificatie bestaan. De vorm van de onderneming verandert dat niet.

Dat maakt de discussie ongemakkelijk, maar ook essentieel. De kernvraag ligt niet bij de rechtsvorm, maar bij de inrichting van het werk en de verdeling van risico’s.

Dat verklaart waarom een BV in sommige situaties rust brengt en in andere juist niets oplost.

Verzekeren voelt verplicht voordat het dat is

Verzekeren voelt in 2026 voor veel zzp’ers niet langer als een vrijblijvende keuze. Ook zonder formele verplichting wordt verzekerbaarheid steeds vaker gezien als onderdeel van professioneel ondernemerschap, door opdrachtgevers, financiers en ondernemers zelf.

Niet verzekeren is daarbij óók een keuze, zolang die bewust wordt gemaakt en past bij de draagkracht van de onderneming en het privé‑inkomen.

De kwetsbaarheid van één langdurige uitval wordt zichtbaarder naarmate het inkomen stijgt en de onderneming afhankelijker wordt van de persoon. Zeker bij zzp’ers die hun inkomen vrijwel volledig uit eigen inzet halen, is het risico geconcentreerd. Eén ongeluk, ziekte of langdurige uitval raakt direct zowel privé als onderneming.

In 2026 is een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp’ers nog geen feit, maar de richting is duidelijk en wordt steeds concreter. Het maatschappelijke en politieke uitgangspunt is dat zelfstandigen meer verantwoordelijkheid dragen voor hun eigen inkomenszekerheid. Die beweging zie je nu al terug in gesprekken met opdrachtgevers en in financieringsaanvragen.

De afweging rond verzekeren gaat daardoor zelden alleen over de premie. Het gaat over draagkracht. Over de vraag welk risico je zelf kunt en wilt dragen, en welk risico de onderneming simpelweg niet kan opvangen zonder structurele schade.

Veel zzp’ers lossen dit gedeeltelijk op met buffers. Dat werkt, zolang die buffers realistisch zijn in verhouding tot mogelijke uitval. Een buffer van enkele maanden voelt geruststellend, maar biedt weinig bescherming bij langdurige arbeidsongeschiktheid.

Verzekeren, reserveren en accepteren dat niet elk risico volledig af te dekken is, vormen in 2026 steeds vaker een samenhangend geheel. Niet als verplicht nummer, maar als onderdeel van hoe je je ondernemerschap duurzaam inricht.

De kern verschuift daarmee van wel of niet verzekeren naar de manier waarop inkomensrisico’s structureel worden gedragen.

Pensioen is geen bijzaak meer, maar onderdeel van je verdienmodel

Dit raakt direct je ruimte, je keuzes en je toekomst als zelfstandige.

Waar pensioen voor veel zzp’ers jarenlang iets was voor ‘later’, dwingt de huidige context tot een andere kijk. Minder fiscale voordelen, meer eigen risico en langere loopbanen maken pensioen onderdeel van het ondernemingsmodel zelf.

In loondienst is pensioen een automatische afslag. Als zelfstandige moet je die keuze zelf maken, én zelf financieren. Dat betekent dat pensioenopbouw direct concurreert met privé-opnames, buffers en investeringen. Juist daardoor blijft pensioen bij veel zzp’ers impliciet: niet omdat het onbelangrijk is, maar omdat het schuurt met de dagelijkse geldstroom.

De fiscale ruimte om pensioen op te bouwen is er nog steeds, maar vraagt meer regie dan voorheen. De oudedagsreserve (FOR) is voor nieuwe opbouw afgeschaft, maar bestaande FOR-standen mogen worden afgewikkeld. Dat vraagt om bewuste keuzes: afstorten, omzetten of laten staan tot staking.

Daarnaast is er de fiscale jaarruimte. Wie aantoonbaar te weinig pensioen opbouwt, mag jaarlijks een bedrag fiscaal aftrekbaar storten in een lijfrente of bankspaarproduct. Onbenutte ruimte uit eerdere jaren kan via de reserveringsruimte alsnog worden ingehaald. Daarmee is pensioenopbouw geen alles-of-niets-beslissing, maar iets dat meebeweegt met winst en levensfase.

In de praktijk zie je dat zzp’ers die pensioen los blijven zien van hun ondernemingsstructuur later vastlopen. Niet omdat ze te weinig verdienen, maar omdat geld steeds wordt beoordeeld op directe beschikbaarheid in plaats van op lange termijn functie.

Daar wordt zichtbaar hoe FOR, jaarruimte en pensioenopbouw onderdeel worden van de bredere financiële inrichting.

Subsidies en regelingen voelen versnipperd, maar raken wel je ruimte

Subsidies werken vrijwel altijd vooraf. Ze beïnvloeden keuzes vóórdat je investeert, niet als correctie achteraf.

Voor veel zelfstandigen voelt het subsidielandschap versnipperd en onoverzichtelijk. Regelingen wisselen, voorwaarden veranderen en de administratieve drempel lijkt hoog. Daardoor verdwijnen subsidies al snel uit beeld, zeker bij zzp’ers die hun focus vooral op omzet en opdrachten hebben liggen.

Toch spelen subsidies en fiscale regelingen ook in 2026 een duidelijke rol in de ruimte die je als ondernemer ervaart. Niet als structurele inkomstenbron, maar als manier om investeringen mogelijk te maken op momenten dat de kasstroom daar eigenlijk nog geen ruimte voor voelt.

Denk bijvoorbeeld aan innovatie, ontwikkeling of verduurzaming. Regelingen zoals de WBSO kunnen een deel van de ontwikkelkosten compenseren, maar alleen als je vooraf inzichtelijk maakt waar tijd en geld naartoe gaan. Dat vraagt geen extra ondernemerschap, maar wel een andere manier van kijken naar je uren en activiteiten.

Ook investeringsaftrekken spelen hierin mee. Niet als bonus achteraf, maar als factor die bepaalt of een investering nú logisch is of beter kan wachten. Wie dat pas bij de aangifte bekijkt, mist vaak het strategische effect.

Het gevolg van subsidies structureel negeren is zelden dat je direct ‘geld laat liggen’. Vaker betekent het dat investeringen worden uitgesteld, kleiner worden uitgevoerd of helemaal niet plaatsvinden. En juist dat beïnvloedt groei, tariefontwikkeling en toekomstbestendigheid.

Dat laat zien waarom subsidies vooral vooraf richting geven en zelden achteraf iets repareren.

De kleineondernemersregeling is eenvoud, maar niet altijd voordelig

De kleineondernemersregeling (KOR) wordt vaak gekozen vanuit een begrijpelijke wens: rust en overzicht. Geen btw‑aangiftes, minder administratieve handelingen en het gevoel dat de onderneming eenvoudiger wordt.

In 2026 is die eenvoud echter zelden gratis. Wie deelneemt aan de KOR brengt geen btw meer in rekening, maar kan ook geen btw meer terugvragen. Dat lijkt overzichtelijk zolang investeringen beperkt blijven en de kostenstructuur stabiel is.

De spanning ontstaat op het moment dat de onderneming beweegt. Bij grotere investeringen, groei in omzet of een verandering in opdrachtgevers. Btw wordt dan ineens een kostenpost in plaats van een doorlopende post. Dat effect zie je niet direct in de winst, maar wel in liquiditeit en investeringsruimte.

Daar komt bij dat de KOR geen flexibele regeling is. De keuze werkt door over meerdere jaren. Dat betekent dat een beslissing die vandaag rust geeft, later kan knellen wanneer de onderneming sneller groeit dan verwacht of wanneer het model verandert.

Voor veel zzp’ers is de KOR daardoor geen puur administratieve keuze, maar een strategische. Niet de vraag of het mag, maar of het past bij waar de onderneming naartoe beweegt.

Het effect van de KOR wordt vooral zichtbaar wanneer je haar afzet tegen investeringen, btw‑positie en groeiplannen.

De BV-vraag gaat over structuur, niet over een snelle belastingwinst

De vraag of een BV fiscaal voordeliger is, wordt vaak als eerste gesteld. Zeker wanneer winst stijgt en het gevoel ontstaat dat er ‘te veel’ belasting wordt betaald. In 2026 is die vraag zelden los te zien van twee andere onderwerpen: de arbeidsrelatie en de functie van winst.

Een BV verandert niets aan de beoordeling van zelfstandigheid. Als de samenwerking inhoudelijk kenmerken van loondienst heeft, blijft die kwalificatie bestaan. De rechtsvorm biedt dan geen bescherming. De praktijk van werken weegt zwaarder dan de juridische jas.

Daarnaast verschuift in een BV de betekenis van winst. Winst is niet automatisch privé besteedbaar. Een deel wordt loon, een deel blijft in de onderneming. Dat vraagt om een andere manier van kijken naar geld: minder als inkomen, meer als bouwsteen.

Voor ondernemers die hun winst grotendeels nodig hebben voor privé-uitgaven voelt die structuur vaak beperkend. Voor ondernemers die ruimte willen opbouwen, risico’s willen scheiden of investeren in groei, kan juist rust ontstaan.

De BV is daarmee geen fiscale truc, maar een bewuste structuurkeuze. Ze dwingt tot nadenken over waar geld voor dient, hoe risico’s worden gedragen en hoe toekomstgericht de onderneming is ingericht.

Het verschil zit daarmee minder in belastingpercentages en meer in de functie die geld vervult binnen de onderneming.

Een zzp-profiel maakt zichtbaar waar het schuurt

Dit is één veelvoorkomend profiel. Niet dé zzp’er, maar een praktijkvoorbeeld dat laat zien waar spanningen samenkomen.

Stel je een zelfstandige voor die al jaren goed draait. Geen starter, geen twijfelaar. Iemand met ervaring, vaste opdrachtgevers en een duidelijk vak. Deze zzp’er werkt projectmatig, maar vaak langdurig bij dezelfde organisaties. De omzet is stabiel. De administratie op orde. Er is geen gevoel van chaos, maar ook geen gevoel van ruimte.

De cijfers in 2026 zien er ongeveer zo uit:

– omzet rond de €140.000 – zakelijke kosten van ongeveer €25.000 – winst vóór belasting van ongeveer €115.000

Op papier is dit een gezond profiel. De ondernemer voldoet aan het urencriterium, heeft geen schulden en ziet zijn winst jaar op jaar stijgen.

Toch ontstaat hier frictie.

De zelfstandigenaftrek is inmiddels beperkt. Daardoor levert deze winst netto minder op dan enkele jaren geleden. Dat verschil voelt niet als een correctie, maar als een tegenvaller, juist omdat het werk en de inzet gelijk zijn gebleven.

Tegelijk is deze zzp’er voor het grootste deel van zijn inkomen afhankelijk van één of twee opdrachtgevers. Dat was jarenlang geen probleem. Het zorgde voor continuïteit en rust. In 2026 wordt diezelfde continuïteit ineens een aandachtspunt in gesprekken over zelfstandigheid en risico.

Pensioenopbouw gebeurt ad hoc. Er wordt wel eens ingelegd, maar alleen in goede jaren. Niet structureel. Verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid is overwogen, maar steeds vooruitgeschoven. Niet uit onwil, maar omdat het lastig voelt om vaste lasten toe te voegen zolang alles leunt op persoonlijke inzet.

De kleineondernemersregeling is niet van toepassing, omdat de omzet daar ruim boven ligt. Btw-afdracht is routine geworden, maar bij grotere investeringen wordt steeds vaker gerekend: nu investeren betekent minder liquiditeit, later investeren voelt veiliger.

En dan komt de vraag op tafel of een BV ‘niet handiger’ zou zijn.

Niet omdat er een concreet probleem is, maar omdat meerdere spanningen samenkomen: winst voelt minder vrij besteedbaar, de afhankelijkheid van opdrachtgevers wordt kwetsbaarder en de toekomst vraagt om meer structuur dan het huidige model vanzelf biedt.

In dit profiel zit niets uitzonderlijks. Geen fouten. Geen verkeerde keuzes.

Het laat vooral zien waar zzp’en in 2026 vaak schuurt: niet in de cijfers zelf, maar in de aannames die jarenlang logisch waren en dat nu niet meer automatisch zijn.

Waarom juist goed georganiseerde ondernemers vastlopen

Veel zzp’ers zijn beter geworden in omzet maken dan in financiële architectuur. Ze sturen op resultaat, maar niet op ruimte. Dat is niet gek. In een goed lopende praktijk is er altijd iets urgenter dan ‘later’ organiseren.

Dan ontstaan zinnen als: ik verdien goed, maar ik voel geen vrijheid. Of: ik werk zelfstandig, maar ik ben afhankelijker dan ooit. Niet omdat het slecht gaat, maar omdat het model te veel leunt op één persoon en één ritme.

Wanneer het weer klopt

Zzp’en in 2026 vraagt geen andere ambitie, maar een andere blik. Niet automatisch blijven doen wat ooit logisch was, maar bewust kijken naar hoe werk, risico en geld zich tot elkaar verhouden.

Soms betekent dat: scherper kiezen in opdrachten en looptijd. Soms: een tarief dat niet alleen je uren, maar ook je risico’s en toekomst financiert. Soms: meer structuur rond buffers, verzekeren en pensioen. En soms: een rechtsvorm die past bij wat je aan het bouwen bent.

Dan worden cijfers weer wat ze moeten zijn: geen oordeel achteraf, maar richting voor vooruit.

En soms betekent dat ook dat je niets hoeft te veranderen. Zolang de keuzes die je maakt bewust zijn en passen bij waar je naartoe wilt.

Categorieën
Fiscale optimalisatie Fiscale tips & valkuilen Groei & strategie Nieuws

Waarom je winst stijgt maar je bedrijf niet vooruitkomt

Je winst stijgt, maar het voelt niet als vooruitgang. Er blijft minder ruimte over dan je op basis van het resultaat zou verwachten. Investeringen voelen zwaarder, buffers groeien niet mee en privé-opnames vragen meer afweging dan voorheen. Dat is geen toeval. Het betekent meestal dat je bedrijf winst maakt op papier, terwijl de daadwerkelijke ruimte afneemt. Kosten, investeringen en timing zijn uit elkaar gaan lopen. Het resultaat oogt gezond, maar het verhaal erachter klopt niet meer.

Schijnwinst ontstaat wanneer cijfers technisch kloppen, maar economisch onvoldoende vertellen. Winst laat zien wat er is gebeurd, niet of je bedrijf ruimte opbouwt voor wat er komt. Als je winst stijgt maar je ruimte niet, stuur je op cijfers die vooral laten zien wat er was, niet wat er komt.

Inhoudsopgave

Waarom winst als stuurgetal steeds minder betrouwbaar wordt

De afgelopen jaren hebben het speelveld structureel veranderd. Kosten zijn blijvend omhooggegaan, contracten zijn aangepast en loonstijgingen blijken geen tijdelijke correctie, maar een nieuw uitgangspunt. Veel ondernemers hebben daarop geanticipeerd met hogere tarieven, efficiënter werken en scherpere kostenbewaking. Dat was logisch en noodzakelijk.

Toch klopt de rekensom steeds vaker niet. Dat komt doordat winst sneller misleidt dan vroeger. Inflatiecijfers vlakken af, maar jouw bedrijf draait niet op gemiddelden. Het draait op je loonlijst, je inkoopafspraken, je vaste lasten en het moment waarop geld binnenkomt en weer vertrekt.

Daar ontstaat de vertekening. Je cijfers kijken terug, terwijl je kosten al vooruitlopen.

De stille optelsom achter schijnwinst

Schijnwinst ontstaat zelden door één duidelijke oorzaak. Het is bijna altijd een combinatie van ontwikkelingen die elkaar versterken.

Kosten blijven hoog. Lonen, huur, energie en software keren niet terug naar het niveau van een paar jaar geleden. Tegelijk lopen afschrijvingen achter op de economische werkelijkheid. Je schrijft af op prijzen van toen, terwijl je straks vervangt tegen prijzen van nu.

Daarbovenop slokt groei vaak geld op. Meer omzet betekent meer voorraad, meer openstaande facturen en een hogere btw-druk. Het gevolg is dat je resultatenrekening er netjes uitziet, terwijl je kasruimte langzaam krimpt. Dat verschil wordt zichtbaar zodra je verder kijkt dan het resultaat alleen.

Hoe schijnwinst je dagelijkse keuzes langzaam onder druk zet

Schijnwinst kondigt zich niet luid aan. Het zit niet in één groot moment, maar in een reeks kleine beslissingen. Je stelt investeringen uit, niet omdat ze onnodig zijn, maar omdat het financieel ‘even niet lekker voelt’. Je twijfelt bij prijsverhogingen, terwijl je weet dat je kosten al geruime tijd zijn gestegen. En je ziet dat de winst hoger is dan vorig jaar, maar merkt tegelijk dat de buffer nauwelijks meegroeit.

Dat zorgt voor een continue spanning in het ondernemen. Niet omdat het slecht gaat, maar omdat elke keuze net wat meer weegt dan zou moeten. Wat vaak voelt als ‘hoe ondernemen nu eenmaal gaat’, blijkt in de praktijk het gevolg van sturen op resultaat zonder vooruit te rekenen.

Waarom slimme ondernemers hier toch steeds opnieuw intrappen

Schijnwinst is zelden het gevolg van slechte beslissingen. Juist ondernemers die hun zaakjes goed op orde hebben, lopen hier tegenaan. Dat komt doordat winst jarenlang een betrouwbaar stuurgetal was. Als het resultaat klopte, klopte het bedrijf.

Die logica werkt steeds minder. Kosten verschuiven structureel, investeringen worden duurder en timing wordt belangrijker dan ooit. Toch rekenen veel bedrijven onbewust nog met aannames uit een andere periode. Met prijsmodellen, marges en buffers die ooit logisch waren, maar dat nu niet meer zijn.

Daar zit de valkuil. Niet in onkunde, maar in vertrouwen op cijfers die hun voorspellende waarde deels hebben verloren.

Schijnwinst inzichtelijk maken in je eigen cijfers

Schijnwinst wordt niet zichtbaar met extra administratie, maar door andere vragen te stellen.

Niet alleen hoeveel omzet je draait, maar wat er per uur, per klant of per product overblijft. Niet één keer per jaar, maar periodiek.

Leg het resultaat naast de cashflow en kijk waar het geld vastzit. In debiteuren, in voorraad of in de timing van belastingen. Bekijk afschrijvingen kritisch en stel jezelf de vraag wat vervanging straks echt kost. Niet boekhoudkundig, maar economisch.

Zonder deze vragen blijft schijnwinst onzichtbaar, tot het moment waarop het begint te knellen.

Een rekenvoorbeeld dat verdacht veel lijkt op de praktijk

Stel dat je bedrijf € 120.000 winst maakt. Dat voelt comfortabel. Op basis daarvan verwacht je ruimte om te investeren, af te lossen en privé op te nemen.

Maar kijk wat er in hetzelfde jaar gebeurt. Je debiteuren lopen op met € 40.000. Dat geld heb je wel verdiend, maar nog niet ontvangen. Je voorraad groeit met € 25.000. Dat is omzet in wording, maar het geld zit vast in spullen. Daarnaast los je € 30.000 af op leningen. Dat raakt je liquiditeit, maar niet je winst. Daarbovenop komen piekbetalingen voor btw en loonheffingen.

Onder de streep verdwijnt er in dit voorbeeld ruim € 95.000 aan liquiditeit, terwijl je resultaat € 120.000 winst laat zien. Op papier verandert er niets. In de praktijk blijft er weinig ruimte over.

En dan zijn toekomstige vervangingsinvesteringen nog niet eens meegenomen. Die komen later, maar drukken wel degelijk op de ruimte die je vandaag denkt te hebben. Zo wordt zichtbaar waarom winst maken iets anders is dan financiële rust.

Sturen op ruimte in plaats van op winst: de keuze die rust geeft

Schijnwinst vraagt niet om harder werken of nóg meer omzet najagen. Het vraagt om scherper kijken en om het besef dat winst een signaal is, geen eindpunt.

Wie ruimte wil houden, kijkt verder dan de resultatenrekening. Die kijkt naar echte marges, naar cashflow en naar wat investeringen straks werkelijk kosten. Die baseert prijsbeslissingen niet op wat al gebeurd is, maar op wat eraan komt. En die maakt ten minste één scenario voor als het tegenzit, niet uit angst, maar om overzicht te houden.

Een paar fundamentele vragen brengen daarbij meer helderheid dan welke rapportage ook:

  • Verdienen we geld, of schuiven we het probleem vooruit?
  • Kan dit bedrijf zichzelf over een paar jaar nog vervangen tegen de prijzen van dan?
  • Wordt onze winst vandaag gefinancierd door de toekomst?

Schijnwinst is geen fout in je administratie. Het is informatie. De vraag is alleen wat je ermee doet. Blijf je sturen op cijfers die vooral terugkijken, of gebruik je ze om ruimte te bouwen voor de toekomst? Wie dat verschil begrijpt, onderneemt met meer rust en maakt betere keuzes.

Categorieën
Duurzaam ondernemen & subsidies Fiscale optimalisatie Fiscale tips & valkuilen Nieuws

Wat gebeurt er als je auto straks geen youngtimer meer is?

De youngtimerregeling gaat waarschijnlijk veranderen. Het kabinet heeft een beleidsvoornemen aangekondigd waarbij de leeftijdsgrens verschuift van 15 jaar naar 25 jaar. Als dat doorgaat, verliest een grote groep zakelijke auto’s zijn youngtimerstatus.

Concreet betekent dit het volgende. Auto’s die nu tussen de 15 en 24 jaar oud zijn en als youngtimer op de zaak rijden, vallen straks niet langer onder de 35‑procentbijtelling over de dagwaarde. Zij vallen dan terug onder de reguliere bijtelling, gebaseerd op de oorspronkelijke cataloguswaarde. Dat verschil kan oplopen tot duizenden euro’s per jaar.

Dit raakt bestaande ondernemerskeuzes. Niet alleen nieuwe aankopen, maar juist auto’s die bewust zijn geselecteerd op basis van stabiele fiscale regels. Wie nu alleen afwacht, krijgt straks de uitkomst gepresenteerd. Wie nu rekent, houdt regie.

Inhoudsopgave

Wat er speelt

De feiten: de youngtimerregeling verandert

Tot nu toe was de youngtimerregeling helder en jarenlang stabiel. Een auto werd fiscaal aangemerkt als youngtimer zodra deze vijftien jaar of ouder was, gerekend vanaf de datum eerste toelating. Vanaf dat moment gold een bijtelling van 35 procent over de actuele dagwaarde. Die systematiek was jarenlang een vaste basis onder veel ondernemerskeuzes.

In recente beleidsvoorstellen wordt deze grens echter verhoogd. De instapleeftijd voor de youngtimerregeling verschuift naar vijfentwintig jaar. Dat betekent dat auto’s die nu tussen de vijftien en vierentwintig jaar oud zijn, hun youngtimerstatus verliezen zodra de wijziging ingaat. Zij vallen dan terug op de reguliere bijtellingsregels, waarbij de oorspronkelijke cataloguswaarde weer leidend wordt.

Dit is geen detailwijziging. Het effect op de bijtelling kan fors zijn, zeker bij auto’s die destijds nieuw een hoge cataloguswaarde hadden. Voor een groot deel van het mkb kan dit leiden tot een structureel hogere fiscale last.

De huidige werking van de regeling en de achtergrond daarvan zijn uitgebreider toegelicht bij de uitleg over de youngtimerregeling op cijferadvies.nl/youngtimer-regeling-luxe-rijden-minder-belasting.

Waarom dit voor verwarring zorgt

De verwarring ontstaat doordat twee ontwikkelingen door elkaar lopen. Enerzijds was er altijd het moment waarop een auto economisch minder aantrekkelijk werd door oplopende kosten, veranderend gebruik of onderhoud. Dat is van alle tijden en vraagt om periodiek heroverwegen.

Anderzijds verandert nu de spelregel zelf. Ondernemers die hun keuze bewust hebben gebaseerd op een vaste fiscale regeling, worden geconfronteerd met een beleidswijziging die losstaat van hun eigen gebruik of kostenstructuur. Dat verklaart waarom het gevoel ontstaat dat een auto ineens geen youngtimer meer is, terwijl de oorzaak niet in de auto zit maar in de definitie.

Waarom dit belangrijk is voor mkb’ers

Voor veel mkb’ers en dga’s is de keuze voor een youngtimer een bewuste en doordachte ondernemersbeslissing geweest. Comfortabel rijden tegen een beheersbare bijtelling, met voorspelbare fiscale gevolgen. Die keuze was rationeel en goed te onderbouwen binnen de toen geldende regels.

Als de leeftijdsgrens daadwerkelijk verschuift, komt die onderbouwing onder druk te staan. De auto blijft dezelfde, maar de fiscale behandeling wordt fundamenteel anders. Dat heeft directe gevolgen voor de maandlasten, de winstpositie en vaak ook voor het netto privé-inkomen. Zonder dat de ondernemer iets aan zijn gebruik of rijgedrag heeft aangepast.

Daarmee is dit geen abstract beleidsnieuws, maar een wijziging die bestaande keuzes opnieuw relevant maakt en vraagt om herberekening.

Wat je nu kunt doen

Ga er niet automatisch vanuit dat een youngtimer die nu fiscaal aantrekkelijk is, dat straks ook blijft. Neem die onzekerheid expliciet mee in je keuzes.

Optie 1: doorrijden en het effect accepteren

De eerste route is niets veranderen. Je blijft rijden zoals je nu doet en accepteert dat de bijtelling straks fors hoger kan worden. Dat kan een bewuste keuze zijn, bijvoorbeeld als de auto verder goed past bij je gebruik of als de hogere kosten op te vangen zijn binnen je resultaat. Voorwaarde is wel dat je het effect vooraf doorrekent en niet pas schrikt wanneer de aanslag volgt.

Optie 2: herpositioneren vóór de wijziging

Een tweede mogelijkheid is nu al anticiperen op het nieuwe speelveld. Dat kan betekenen dat je overstapt naar privé rijden met kilometervergoeding, of dat je kiest voor een andere auto waarvan de fiscale gevolgen beter aansluiten bij het verwachte beleid. Deze route wordt vaak gekozen door ondernemers die flexibiliteit willen houden en verrassingen willen voorkomen.

Optie 3: versneld afbouwen

De derde route is versneld afbouwen van de huidige situatie. Sommige ondernemers kiezen ervoor hun huidige situatie af te bouwen voordat de wijziging ingaat. Niet omdat de auto niet meer bevalt, maar om te voorkomen dat zij straks vastzitten aan een kostenstructuur die niet meer past bij hun onderneming of privépositie.

Welke route logisch is, hangt af van gebruik, inkomen, liquiditeit en plannen voor de komende jaren. Het gaat er niet om wat de beste optie is in algemene zin, maar om een keuze die past bij jouw cijfers.

Wie dit goed wil aanpakken, kijkt verder dan de auto alleen. De gevolgen raken je winst, je liquiditeit en vaak ook je positie als dga. Door scenario’s door te rekenen en de impact inzichtelijk te maken, voorkom je dat beleid jouw keuzes dicteert.

Cijfers doen niets uit zichzelf. Pas als je ze gebruikt om vooruit te kijken, geven ze richting.

Categorieën
Fiscale tips & valkuilen Nieuws Salarisadministratie

Loonheffingen 2026 Waarom je payroll in december al moet kloppen

Loonheffingen 2026 raken iedere mkb-ondernemer met personeel. Niet pas volgend jaar, maar nu. Wat je in december vastlegt aan contracten, vergoedingen en payrollinstellingen bepaalt of je 2026 start met rust of met herstelwerk.

De Belastingdienst publiceerde de Nieuwsbrief Loonheffingen 2026. Daarin staan wijzigingen die per 1 januari direct doorwerken in je loonadministratie. Denk aan vergoedingen die anders worden beoordeeld, regelingen die strakker worden toegepast en voordelen die alleen gelden als timing en vastlegging kloppen.

Voor jou betekent dit drie dingen. Eén: vaste afspraken worden sneller belast loon als de onderbouwing niet klopt. Twee: loonkostenvoordelen vragen meer discipline in aanvraag en dossiervorming. Drie: internationale en flexibele afspraken staan nadrukkelijker onder toezicht.

Voor dga’s komt daar nog iets bij. Veel afspraken lopen via jou, soms informeel. Juist dan wil je vooraf zeker weten dat wat logisch voelt, administratief ook standhoudt.

Inhoudsopgave

Wat er speelt bij loonheffingen 2026

De Nieuwsbrief Loonheffingen 2026 is het startpunt voor het nieuwe loonjaar. Het document wordt later nog aangevuld, maar de richting is duidelijk. De Belastingdienst scherpt regels aan en legt accenten op onderdelen die in de praktijk vaak fout gaan.

Het gaat onder meer om wijzigingen rond de RVU-regeling, de fietsregeling, extraterritoriale kosten en loonkostenvoordelen. Dat zijn geen details. Het zijn precies de plekken waar afspraken, payroll en administratie uit elkaar kunnen lopen.

Dat gebeurt zelden bewust. Meestal ontstaan fouten omdat personeelsafspraken logisch voelen, maar administratief anders moeten worden vastgelegd.

Loonkosten blijven bewegen

Tegelijkertijd blijft de loonsom onder druk staan. Cao-lonen zijn in 2025 opnieuw gestegen en ook het minimumloon gaat per 1 januari 2026 omhoog.

Die beweging werkt door in salarisschalen, toeslagen en onderhandelingen. Ook als je boven het minimum betaalt. Voor veel mkb-ondernemers betekent dit dat loonkosten structureel een grotere rol spelen in de marge.

Waarom dit belangrijk is voor mkb-ondernemers

Afspraken worden cijfers

In het mkb worden personeelsafspraken vaak pragmatisch gemaakt. Snel schakelen, maatwerk leveren, vertrouwen op de relatie.

Maar elke afspraak eindigt uiteindelijk als een cijfer in de loonadministratie. En dat cijfer moet kloppen volgens de regels van de loonheffingen. Als HR-afspraken niet goed zijn vertaald naar payroll, ontstaat er risico. Dat zie je meestal niet direct, maar wel bij een correctie of controle.

Loonkostenvoordelen vragen timing

Regelingen zoals het loonkostenvoordeel laten zien hoe belangrijk timing is. Instroomdatum, doelgroep en aanvraagmoment moeten precies kloppen. Een kleine afwijking kan betekenen dat het voordeel vervalt, terwijl je er wel op rekende.

Internationale medewerkers vragen onderbouwing

Bij extraterritoriale kosten en expatafspraken kijkt de Belastingdienst nadrukkelijk naar de onderbouwing. Niet alleen wat je vergoedt, maar waarom je dat doet en hoe dit is vastgelegd.

Zonder goed dossier moet je achteraf reconstrueren. Dat kost tijd, leidt tot discussie en zorgt zelden voor een beter resultaat.

Wat je nu kunt doen

Maak het concreet. Dit zijn stappen die je als ondernemer deze maand al kunt zetten.

Begin met een overzicht van alle personeelsafspraken die doorlopen naar 2026. Pak arbeidscontracten, vaste vergoedingen en aanvullende afspraken erbij en leg ze naast de payrollinstellingen. Klopt wat is afgesproken ook met wat wordt verloond?

Kijk daarna specifiek naar vaste vergoedingen. Vraag jezelf per vergoeding af waarom deze wordt uitgekeerd en waar de onderbouwing ligt. Is die nog actueel, of gebaseerd op aannames van een paar jaar geleden?

Bepaal vervolgens wie binnen je organisatie verantwoordelijk is voor wijzigingen. Niet alleen voor het afspreken ervan, maar ook voor de verwerking. Eén eigenaar voorkomt dat HR, payroll en administratie langs elkaar heen werken.

Sluit af met een korte check op regelingen en voordelen die in 2026 wijzigen. Welke medewerkers vallen hieronder en wat betekent dat financieel? Dan weet je vooraf waar bijsturen nodig is, in plaats van achteraf corrigeren.

Zo start je 2026 met rust in je loonadministratie

Wij kijken niet alleen naar de loonstrook, maar juist naar de afspraken erachter. Daar ontstaat het verschil tussen een soepele verwerking en herstelwerk achteraf.

Samen met JiglerHR zorgen we dat HR-afspraken en administratie direct op elkaar aansluiten. JiglerHR borgt contracten, personeelsdossiers en HR-afspraken. Wij vertalen die afspraken naar correcte loonheffingen en een sluitende administratie.

De Nieuwsbrief Loonheffingen 2026 is geen document om te bewaren voor later. Het is een signaal om nu te controleren of alles nog klopt. Wie dit in december goed regelt, start 2026 met rust. En met cijfers die doen wat ze moeten doen.

Categorieën
Fiscale tips & valkuilen Nieuws

Fiscale bedrijfsopvolgingsplanning: zo bereid je jouw bedrijf en vermogen tijdig voor

Bedrijfsopvolging is geen momentopname. Je schuift niet van de ene op de andere dag aandelen door. Het vraagt voorbereiding, keuzes en een structuur die past bij je toekomst. De recente wijzigingen in BOR en DSR maken dat nog zichtbaarder. Ze leggen bloot hoe belangrijk het is dat jouw eigendom, vermogen en familieafspraken goed georganiseerd zijn.

Dit artikel geeft je een tijdloze blik op fiscale bedrijfsopvolgingsplanning. Actuele regels haak je aan, maar het draait vooral om de langere lijn: hoe zorg je dat je bedrijf overdraagbaar blijft, dat je opvolger financieel kan instappen en dat jij privé vooruit kunt.

Inhoudsopgave

Wat er speelt in fiscale bedrijfsopvolging

De BOR voorkomt directe schenk- of erfbelasting over ondernemingsvermogen. De DSR schuift box‑2‑heffing door. Beide regelingen moeten continuïteit mogelijk maken. De overheid scherpt ze regelmatig aan om te zorgen dat ze worden gebruikt waarvoor ze bedoeld zijn: echte bedrijfsopvolging.

De recente lijn in wetgeving laat dat goed zien. De overheid heeft voor 2026 concrete wijzigingen doorgezet die direct ingrijpen op bedrijfsopvolging. De kern van die verandering: alleen volwaardig aandeelhouderschap telt nog mee. Daarmee verschuift de aandacht van slimme vormen naar daadwerkelijke zeggenschap.

Actueel betekent dit onder meer:

  • Alleen gewone aandelen vanaf vijf procent tellen mee voor BOR en DSR.
  • Preferente aandelen en participaties zonder volwaardig eigenaarschap vallen buiten de regeling.
  • Herstructureren vlak voor overdracht wordt strenger beoordeeld en moet aantoonbaar bedrijfseconomisch zijn.
  • Constructies die puur op voordeel zijn gericht, worden actief afgebouwd.

Deze aanpassingen maken het speelveld duidelijker én strenger. Overdracht draait voortaan meer om de feitelijke machtsverhoudingen in een bedrijf dan om technische vormen. Dat vraagt van ondernemers dat ze eerder naar hun structuur kijken en bewuste keuzes maken over eigendom en zeggenschap.

Waarom dit altijd belangrijk is voor mkb’ers

Veel familiebedrijven werken met verweven structuren. Ouders hebben preferente aandelen. Kinderen een klein belang. Medewerkers een stukje participatie. Zolang iedereen weet wie waarvoor staat, werkt dat prima. Totdat overdracht in beeld komt.

Dan grijpt de fiscale realiteit in. Een belang onder vijf procent telt niet mee. Preferente aandelen worden anders behandeld dan gewone. Bezits- en voortzettingstermijnen bepalen of een planning haalbaar is. Box‑2‑druk beïnvloedt je privéruimte.

Daarom gaat bedrijfsopvolging nooit alleen over regels. Het raakt drie lijnen tegelijk:

  1. De structuur van je bedrijf: wie bezit wat en waarom.
  2. De tijdlijn: wanneer wil je overdragen en welke termijnen spelen mee.
  3. Je privétoekomst: wat heb je nodig na overdracht en hoe sluit dat aan op je vermogen.

Wat je nu kunt doen

Breng je structuur helder in kaart

Begin met een visuele schets. Teken alle holdings, werkmaatschappijen en belangen uit. Zet erbij welk type aandelen er is, hoe groot elk belang is en welke rollen mensen hebben. Zo zie je waar het wringt.

Werk met scenario’s

Overdracht kent geen standaardvorm. Een opvolger binnen de familie vraagt iets anders dan verkoop aan een derde. Door drie scenario’s naast elkaar te zetten, zie je direct de verschillen in belasting, liquiditeit en positie van jou als ondernemer.

Scenario’s geven richting. Je ziet wat kan, wat niet past en wat moet worden aangepast.

Voorbeeldscenario

Stel: je hebt twee kinderen. Eén werkt mee in het bedrijf, de ander niet. Het meewerkende kind wil op termijn overnemen, maar kan de aandelen niet volledig financieren. Het niet-meewerkende kind wil wel een eerlijke compensatie.

In zo’n geval laat een scenarioanalyse snel zien:

  • hoe de BOR en DSR uitwerken voor beide kinderen
  • hoeveel financiering het ondernemende kind echt kan dragen
  • hoe jij privé uitkomt als je een deel van de waarde uit de onderneming haalt

Zo’n concreet voorbeeld maakt duidelijk welke keuzes logisch zijn: gefaseerde overdracht, een herstructurering vooraf of juist verkoop van een deelbelang aan derden. Scenario’s geven houvast voordat je het gesprek met je familie of adviseurs ingaat.

Combineer fiscale en financiële planning

Opvolging mislukt niet door regels maar door liquiditeit. Een opvolger moet kunnen financieren. Jij moet privé verder kunnen. Box‑2‑heffing moet kunnen worden opgevangen. Daarom werkt een integraal plan met onder meer:

  • waardering van het ondernemingsvermogen
  • simulaties van BOR en DSR volgens de actuele regels
  • financieringsopties voor de opvolger
  • je netto‑inkomen na overdracht

Met deze combinatie stuur je niet op belastingvoordeel maar op haalbaarheid.

Leg afspraken vast

Veel afspraken in familiebedrijven zijn impliciet. Dat werkt jaren goed, totdat belangen uiteenlopen. Leg daarom vroegtijdig vast wat je verwacht, welke rollen je ziet voor betrokkenen en hoe het vermogen wordt verdeeld. Denk aan een familieprotocol, aandeelhoudersovereenkomst en concept‑testament.

De rol van CijferAdvies

Opvolging raakt cijfers én mensen. Daarom leggen we scenario’s naast jaarrekeningen, privévermogen naast ondernemingsdoelen en regels naast toekomstwensen. Samen met onze Associate Partner Ramon maken we een Personal Financial Plan dat verder gaat dan de overdracht zelf.

Je krijgt inzicht in wat de overdracht betekent voor je inkomen, je vermogen, je risico’s en je mogelijkheden. Zo ontstaat rust en richting. Vanuit daar kun je keuzes maken die passen bij je bedrijf én bij je leven buiten de onderneming.

Categorieën
Fiscale tips & valkuilen Nieuws

Luxe rijden, minder belasting betalen: dit is hét moment voor een youngtimer

Rijd je als ondernemer veel zakelijke kilometers en wil je dat doen in een auto met karakter én fiscaal voordeel? Dan is de youngtimer-regeling iets om serieus te overwegen. Hiermee kun je een auto van 15 jaar of ouder op de zaak zetten en flink besparen op de bijtelling. Dat betekent: luxe rijden voor minder geld, zonder in te leveren op comfort of uitstraling.

En laten we eerlijk zijn: een goed onderhouden klassieker op de oprit oogt toch net even anders dan de zoveelste grijze leaseauto. Bovendien is het fiscaal vaak interessanter dan een jong gebruikte auto.

Let op: de regeling wordt vanaf 2026 aangescherpt. De minimumleeftijd voor youngtimers stijgt dan naar 16 jaar, en vanaf 2027 zelfs naar 25 jaar. Dat maakt de komende periode ineens een overgangsjaar voor ondernemers die nog willen profiteren van de huidige regeling.

In dit artikel leggen we je uit hoe de regeling werkt, waar je op moet letten én welke modellen écht de moeite waard zijn. Zodat jij straks niet alleen slim rijdt, maar ook met een glimlach.

Inhoudsopgave

Wat is de youngtimer-regeling?

De youngtimer-regeling is simpel gezegd een slimme fiscale truc voor ondernemers met smaak. Je rijdt een auto van 15 jaar of ouder zakelijk, maar betaalt geen bijtelling over de nieuwwaarde. In plaats daarvan reken je af over de dagwaarde, en dat scheelt serieus geld. Denk: luxe rijden voor het budget van een tweedehandsje.

Voor ondernemers die vaak onderweg zijn en liever een comfortabele, karaktervolle auto rijden dan een doorsnee leasebak, is dit een uitgelezen kans. Auto’s als de BMW 5-serie, Volvo V70 of Audi A6 zijn daardoor ineens verrassend betaalbaar én fiscaal aantrekkelijk.

Wil je weten of dit voor jou interessant is? In dit artikel lees je hoe de regeling werkt, wat de fiscale voordelen zijn en welke modellen in 2025 het populairst zijn onder slimme ondernemers.

Wat is een youngtimer?

Een youngtimer is geen oude auto, het is een goed verhaal op wielen. Technisch gezien gaat het om auto’s tussen de 15 en 25 jaar oud. In de praktijk betekent dat: een voormalige topklasse BMW, Mercedes of Volvo – ooit nieuw voor de prijs van een middenwoning – nu voor een fractie van dat bedrag te koop.

Voor een paar duizend euro rijd je in een auto met leer, comfort, uitstraling én een fiscaal voordeel waar je boekhouder blij van wordt. Kies er wel eentje waarvan de onderhoudshistorie netjes op orde is en laat hem checken door een betrouwbaar autobedrijf. Zo voorkom je verrassingen bij de garage.

Waarom ondernemers massaal voor youngtimers kiezen? Simpel: het rijdt lekker, het oogt professioneel en de fiscale regeling maakt het financieel erg aantrekkelijk. En laten we eerlijk zijn: liever in stijl onderweg, dan onnodig veel bijtellen voor een grijze muis op wielen.

Voor wie is het interessant?

Vooral ondernemers die:

  • regelmatig zakelijk rijden;
  • waarde hechten aan comfort en uitstraling;
  • slim willen omgaan met hun fiscale ruimte.

Let op: de regeling geldt alleen voor auto’s die zakelijk worden gereden en ouder zijn dan 15 jaar. Een recente auto met wat extra kilometers valt dus buiten de boot.

De voordelen op een rij

  • Lage bijtelling: slechts 35% over de dagwaarde.
  • Luxe rijden voor minder: een BMW 5-serie of Volvo V70 uit 2009? Nu wél interessant.
  • Duurzaam: je geeft een auto een tweede leven.
  • Persoonlijk karakter: geen dertien-in-een-dozijn leasebak.

Youngtimer regeling: bijtelling met voordeel

Het klinkt tegenstrijdig: een hoger bijtellingstarief (35%) dan bij nieuwe zakelijke auto’s, maar toch goedkoper uit zijn? Met de youngtimer-regeling werkt het zo. Die 35% geldt namelijk niet over de nieuwwaarde, maar over de dagwaarde van de auto. En dat maakt een wereld van verschil.

Neem een Audi uit 2009 met een oorspronkelijke catalogusprijs van €100.000. De dagwaarde ligt inmiddels ergens rond de €6.000 tot €8.000. Dat betekent dus dat je bijtelling berekend wordt over dat veel lagere bedrag. Tel uit je winst.

Met deze regeling rijd je in een klasse waar je vroeger alleen maar van kon dromen – en dat tegen maandlasten die aanzienlijk vriendelijker zijn dan bij een nieuwe zakelijke auto. En ja, ook volledig elektrische youngtimers vallen onder de regeling. Daarvoor geldt zelfs een bijtellingspercentage van 17%. Al moeten we erbij zeggen: het aanbod is op dit moment nog beperkt.

Meer weten over hoe dit fiscaal voor jou uitpakt? Neem gerust contact met ons op. We rekenen het graag even voor je uit.

Dagwaarde youngtimer bepalen

De fiscale bijtelling voor je youngtimer wordt niet zomaar uit de lucht gegrepen – die wordt gebaseerd op de dagwaarde van de auto. Maar wat is die dagwaarde precies? En belangrijker: hoe bepaal je die op een manier die de Belastingdienst accepteert?

Online rekentools kunnen je een grove schatting geven, maar die stoppen vaak bij auto’s van 15 jaar oud. Voor echt betrouwbare cijfers is een officiële taxatie aan te raden. Die wordt uitgevoerd door een erkende taxateur en levert een rapport op waar je mee kunt aankomen bij de fiscus.

Wil je het simpeler aanpakken? Kijk dan wat soortgelijke modellen kosten bij betrouwbare autohandelaren. De Belastingdienst hanteert als definitie: de prijs die je normaal zou krijgen als je de auto verkoopt. Dus: wat zou jij er vandaag de dag voor neertellen? Dat is de waarde waar je belastingtechnisch mee werkt.

Twijfel je? Laat je auto taxeren. Dat voorkomt vervelende discussies achteraf en geeft je duidelijkheid. Je CijferAdviseur helpt je hier graag bij.

Kosten youngtimer aftrekken van de winst

Rijd je een youngtimer zakelijk? Dan mag je vrijwel alle autokosten van je winst aftrekken: denk aan brandstof, onderhoud, parkeren, tol, de wasstraat en wegenbelasting. Dat betekent: hoe meer zakelijke kilometers, hoe lager je fiscale winst – en dus minder belasting.

Tegelijkertijd betaal je slechts een bijtelling over de (vaak lage) dagwaarde van je auto. Die bijtelling valt in het niet bij de aftrekbare kosten. Je houdt dus netto meer over. Slim geregeld, en helemaal volgens de regels.

Meer weten over welke kosten precies aftrekbaar zijn? Bekijk onze tips over de auto van de zaak.

Normale bijtelling

Even ter vergelijking: rijd je geen youngtimer, maar een nieuwe zakelijke auto? Dan geldt de standaard bijtelling. Voor auto’s met CO₂-uitstoot betaal je 22% over de cataloguswaarde.

Voor elektrische auto’s ligt dat in 2025 iets anders: je betaalt 17% bijtelling over de eerste € 30.000 van de cataloguswaarde, en 22% over het bedrag daarboven. Stel dat je een elektrische auto rijdt van € 50.000? Dan betaal je 17% over € 30.000 en 22% over de overige € 20.000. Dat voordeel geldt voor vijf jaar, gerekend vanaf het moment dat de auto voor het eerst op naam komt. Daarna vervalt het.

De trend is duidelijk: het belastingvoordeel voor elektrische auto’s wordt langzaam afgebouwd. Vanaf 2026 verdwijnt het lagere bijtellingstarief zelfs helemaal. Ook daarom is een youngtimer – zeker voor de liefhebber – het overwegen waard.

Nieuwe auto van de zaak

Een glimmend nieuwe auto van de zaak klinkt aantrekkelijk. Maar vergis je niet: de bijtelling kan flink oplopen. Zeker bij duurdere modellen loopt dat bedrag al snel in de duizenden euro’s per jaar. En dan hebben we het nog niet eens over de afschrijving – de waarde van de auto daalt zodra je de showroom uitrijdt.

Voor je het weet betaal je fors voor het privilege om een nieuwe auto te mogen rijden, terwijl diezelfde uitstraling en comfort ook mogelijk zijn met een fiscaal vriendelijke youngtimer.

Benieuwd hoe het verschil in bijtelling precies uitpakt? Bekijk de rekentool van MKB servicedesk.

Voorbeeldberekening youngtimer

Laten we het concreet maken.

Stel, je overweegt een nieuwe Audi A6 Avant van zo’n € 70.000. Dan betaal je jaarlijks 22% bijtelling over die cataloguswaarde: € 15.400. Je mag daar ongeveer € 8.000 aan afschrijving tegenover zetten, dus houd je € 7.400 aan bijtelling over – nog zonder alle andere kosten mee te rekenen.

Zet dat eens af tegen een youngtimer als de Audi A8 uit 2007. Luxe uitvoering, goed onderhouden, 150.000 km op de teller, aanschafprijs: € 6.000. De bijtelling? 35% van de dagwaarde = € 2.100. Trek daar een afschrijving van bijvoorbeeld € 1.000 van af, dan blijft er € 1.100 aan bijtelling over.

Het verschil? Maar liefst € 6.300. En zit je in de hoogste belastingschijf, dan scheelt je dat netto ruim € 3.000 per jaar. En het mooie is: elk jaar daalt de dagwaarde – en dus ook je bijtelling. Je voordeel groeit dus mee.

Conclusie: als je je fiscale ruimte slim inzet, kan een youngtimer je duizenden euro’s per jaar besparen. En zeg nou zelf – het rijdt ook gewoon lekkerder.

Werkelijk gebruik

Gebruik je je youngtimer zowel zakelijk als privé? Dan moet je als btw-ondernemer elk jaar btw bijtellen voor het privégebruik. Bij een marge-auto geldt standaard een correctie van 1,5% over de oorspronkelijke cataloguswaarde. Dus als jouw auto destijds € 45.000 heeft gekost, dan tel je jaarlijks € 675 op bij je af te dragen btw.

Maar: het mag ook anders. Je kunt ervoor kiezen om het werkelijke privégebruik te berekenen. Dat kan gunstiger uitpakken, zeker als je auto vooral zakelijk wordt ingezet. Let wel: voor de btw telt woon-werkverkeer ook als privé.

Meer details over deze btw-correctie, inclusief hoe je dat doet als je youngtimer wél btw-belast is, vind je op de site van de Belastingdienst. Of beter nog: vraag het even aan je CijferAdviseur. Dan weet je zeker dat je goed zit.

Youngtimers voor 2025

Elk jaar wordt een nieuwe groep auto’s 15 jaar oud, en dus interessant voor de youngtimer-regeling. In 2025 zijn auto’s uit bouwjaar 2010 aan de beurt. Dat betekent: luxe modellen met moderne techniek én fiscaal voordeel. Een greep uit de leukste opties:

MERK EN MODEL BOUWJAREN YOUNGTIMER IN 2025
Alfa Romeo Giulietta 2010-2014 2010
Audi A8 D4 4-deurs, Sedan 2010-2017 2010
BMW 5-serie F10 4-deurs, Sedan 2010-2016 2010
Citroën DS3 2010-2015 2010
Jaguar XJ X351 2010-2019 2010
Mercedes-Benz E-klasse (W212) Sedan 2010-2016 2010
Mercedes-Benz CLS (C218) 2010-2014 2010
Mini Countryman 2010-2016 2010
Peugeot RCZ 2-deurs, Coupé 2010-2015 2010
Saab 9-5 NG 4-deurs, Sedan 2010-2011 2010
Toyota Land Cruiser 5-deurs, SUV 2010-2014 2010
Volkswagen Touareg II SUV 2010-2018 2010
Volvo S60 II 4-deurs, Sedan 2010-2018 2010
Volvo V60 I 5-deurs, Stationwagon 2010-2018 2010

Deze modellen combineren vaak een hoog uitrustingsniveau met een degelijke bouwkwaliteit. Kies wel voor een exemplaar met een kloppende historie en bij voorkeur van de eerste eigenaar – dat maakt het fiscaal en technisch nog aantrekkelijker.

Wat is de toekomst van de youngtimer regeling?

Dat is nog niet duidelijk. De klimaatdoelstellingen zijn wel duidelijk: in 2030 moet de CO2-uitstoot zo’n 55% minder zijn ten opzichte van 1998. Om die reden gaat het huidige systeem voor motorrijtuigenbelasting op de schop. Vanaf 2030 gaan automobilisten betalen naar gebruik om een bewuster gebruik van de auto te stimuleren. Deze veranderingen zullen ongetwijfeld ook invloed hebben op de youngtimer regeling. Maar tot die tijd kun je deze regeling benutten en voordelig in een mooie youngtimer rijden.

Verder wordt de youngtimer-regeling geleidelijk versoberd. De minimumleeftijd voor youngtimers wordt per 2026 met 1 jaar verhoogd van 15 naar 16 jaar en vanaf 2027 met nog eens 9 jaar naar 25 jaar.

Wil je weten wat dit voor jou betekent? Neem contact op met je CijferAdviseur. Die rekent het graag even met je door.

Categorieën
Bedrijfskundige analyse Eindejaarschecklist Fiscale optimalisatie Fiscale tips & valkuilen Inkomsten- en vennootschapsbelasting Jaarrekening (zzp & BV) Omzetbelasting & btw Rapportages & dashboards

Vermogen in je BV of privé?

In 2026 verandert het speelveld. Box 3 wordt zwaarder, de tegenbewijsregeling is nieuw én de BV-structuur vraagt om betere afwegingen. Wat is voor jou als ondernemer of DGA het slimst: vermogen in privé houden of (deels) onderbrengen in de BV? In dit artikel krijg je helder zicht op de fiscale gevolgen, administratieve eisen en praktische scenario’s. Je leest wat er verandert, hoe je daarop inspeelt en wanneer het loont om tijdig te herstructureren. Geen beleggingsadvies, wél inzicht voor een betere beslissing.

Inhoudsopgave

De nieuwe regels in beeld

In 2026 krijg je te maken met aangepaste regels in box 3, maar de geplande belastingverzwaring is door de Tweede Kamer geschrapt. Tegelijk zijn er nieuwe spelregels zoals de tegenbewijsregeling. Tegelijk blijft de BV-structuur een alternatief, met z’n eigen kosten, tarieven en verplichtingen. Hieronder de kern op een rij. Later in dit artikel laten we zien hoe dit in de praktijk uitwerkt.

Box 3 in beweging: de geplande verzwaring voor 2026 is geschrapt. Het heffingsvrije vermogen wordt volledig geïndexeerd naar € 59.357 per persoon. Voor overige bezittingen (zoals beleggingen en vastgoed) wordt in 2026 uitgegaan van een forfaitair rendement van 6%, belast tegen 36%.

Sinds juli 2025 geldt de tegenbewijsregeling: kun je aantonen dat je werkelijke rendement lager is dan het forfait, dan betaal je minder. Voor beleggers met een laag rendement biedt dat extra ruimte om hun belastingdruk te verlagen.

BV-structuur: winst in de BV wordt belast via de vennootschapsbelasting (Vpb):

  • 19% tot €200.000

  • 25,8% daarboven

Bij uitkering aan privé betaal je vervolgens box 2:

  • 24,5% tot €67.804

  • 31% daarboven (tarieven 2025)

Tel daar de Wet excessief lenen bij op: wie meer dan €500.000 leent van zijn BV, wordt op het meerdere belast in box 2.

Vergelijking in cijfers (2026)

Structuur Belasting laag 1 Belasting laag 2 Totaalbelasting bij uitkering
Box 3 (privé) Forfait 6% × 36% n.v.t. ~2,2% over vermogen
BV (tot €200.000) Vpb 19% Box 2: 24,5% – 31% ~39% – 44% over winst
BV (>€200.000) Vpb 25,8% Box 2: 24,5% – 31% ~44% – 49% over winst

Let op: bij lage rendementen (<3%) kan tegenbewijs in box 3 zorgen voor fors lagere belasting. In de BV kun je kosten aftrekken en dividend spreiden.

Let op: het Belastingplan 2026 is door de Tweede Kamer aangenomen, maar moet nog langs de Eerste Kamer. Bovendien blijft het einddoel een stelsel op basis van werkelijk rendement in 2028. Tussen 2023 en 2028 zijn tussenregimes, tegenbewijs en rechtsherstel van kracht. Dat maakt het extra zinvol om je box-3-positie per jaar te laten doorrekenen.

De fiscale puzzel: BV of privé?

Er is geen one size fits all. De optimale route hangt af van je rendement, je uitdeelbeleid en je vermogensopbouw. Toch kun je op basis van een paar uitgangspunten al goed richting kiezen.

  • Laag rendement (< 3% netto) → privé kan voordeliger zijn, vooral als je gebruikmaakt van de tegenbewijsregeling. Je betaalt dan belasting over het werkelijke (lage) rendement in plaats van het hoge forfait.

  • Hoog rendement (> 6% netto) → de BV-structuur biedt dan vaak meer ruimte. Je kunt kosten aftrekken, de winst gefaseerd uitkeren en zo slim gebruikmaken van de box 2-schijven.

  • Onvoorspelbaar rendement → dan loont het om meerdere scenario’s naast elkaar te zetten. Wat doe je als het rendement tegenvalt? Of juist meezit? Hierin speelt flexibiliteit een grote rol.

Stel: je beheert een portefeuille van €600.000, grotendeels in vastgoed en obligaties.In box 3 val je dan onder het forfait van 6%, terwijl je netto misschien 3 tot 4% overhoudt. Dat forfait kan dus nog steeds hoger liggen dan je werkelijke rendement. Zonder tegenbewijs betaal je dus over een rendement dat je feitelijk niet maakt. In een BV kun je kosten aftrekken en eventueel het dividend uitstellen tot een later (fiscaal gunstiger) moment.

Ander voorbeeld: je verwacht een sterk jaar, met rendement boven de 8%. Dan kan de BV-structuur voordeliger uitpakken, zelfs na Vpb en box 2. Zeker als je niet direct uitkeert, maar reserves opbouwt voor de lange termijn.

Kortom: laat je keuze afhangen van rendement én timing. Reken verschillende scenario’s door, zodat je niet achteraf met een dure verrassing zit.

Administratieve realiteit

Wil je gebruikmaken van de tegenbewijsregeling? Dan moet je in 2025 al beginnen met het registreren van werkelijke rendementen: rente, dividend, waarde mutaties. Die data moeten controleerbaar en goed onderbouwd zijn. Je boekhouder of CijferAdviseur kan hierbij ondersteunen: van het inrichten van een eenvoudige rendementstrack tot het checken van de fiscale onderbouwing.

Kies je voor de BV-structuur? Dan heb je méér administratie nodig, zoals:

  • Correcte Vpb-aangiften
  • Een actuele jaarrekening
  • Dividendadministratie en aangiften in box 2

Ook hier is een boekhouder onmisbaar: hij bewaakt deadlines, stelt de juiste stukken op en voorkomt dat je fiscale voordelen laat liggen of boetes riskeert.

Sta je boven de €500.000 aan leningen bij je eigen BV? Dan moet je dit goed registreren en plannen, om box 2-heffing te beperken. Samen met je adviseur kun je hier een afbouwplan voor maken, bijvoorbeeld via dividend of herstructurering.

En let op: bij obligaties met aangegroeide rente gelden aangepaste regels, met terugwerkende kracht tot 25 augustus 2025. Het is dus belangrijk om ook je historische gegevens op orde te hebben.

Vooruitblik: op weg naar werkelijk rendement (2028)

Vanaf 2028 wil het kabinet box 3 baseren op het werkelijke rendement. Geen forfait meer, maar belasting op wat je écht verdient. Tot die tijd werken we met overgangsjaren, waarin het forfait en het tegenbewijs naast elkaar bestaan. Juist daardoor wordt vooruitkijken belangrijk.

Wat je nú beslist, bijvoorbeeld om beleggingen onder te brengen in een BV, kan over drie jaar ineens nadelig uitpakken. Tegelijk kan tegenbewijs in box 3, dat vandaag aantrekkelijk lijkt, over een paar jaar verdwijnen. Daarom is het slim om met je boekhouder of adviseur vooruit te kijken. Niet alleen naar het tarief van vandaag, maar naar het fiscale speelveld van morgen. Kies niet alleen voor wat nú gunstig lijkt, maar voor wat straks ook nog werkt.

Wat CijferAdvies voor je doet

Bij CijferAdvies combineren we boekhouding 2.0 met proactief fiscaal advies. We denken met je mee over slimme keuzes rondom je BV-structuur, je belastingdruk en je administratie. Geen standaard jaarrekening of achterafcorrectie, maar actief meedenken en vooruit plannen. We blijven weg van vermogensbeheer en beleggingsadvies, maar zorgen er wél voor dat je op basis van actuele cijfers de juiste keuzes maakt.

Wat je van ons mag verwachten:

  • Analyse van je huidige positie in box 3: waar loop je risico, waar liggen de fiscale kansen?
  • Doorrekening van scenario’s: wat betekent het fiscaal als je kiest voor privé of juist voor de BV?
  • Administratie in orde brengen: van rendementsoverzichten tot dividendbesluiten en leningen van de BV.
  • Vooruitkijken naar 2028: hoe stem je je fiscale keuzes nu al goed af op het werkelijke rendement stelsel dat eraan komt?

Heb je naast fiscaal inzicht behoefte aan een breder financieel overzicht? Dan verwijzen we je graag door naar een expert. Zoals onze Associate Partner Ramon Wernsen, die ondernemers helpt met een persoonlijk financieel levensplan. Daarmee koppel je fiscaal inzicht aan toekomstgericht financieel overzicht, zonder dat wij zelf vermogensadvies geven.

Categorieën
E-commerce & Webshops Fiscale optimalisatie Groei & strategie Rapportages & dashboards Webshop administratie

Waarom iedere webshop moet sturen op cijfers

Een webshop draait om snelheid. Bestellingen, voorraad, advertenties, retouren. Alles beweegt tegelijk. Maar achter die snelheid zit een harde waarheid: veel webshops weten niet waar ze precies geld verdienen of verliezen. En dat wordt zichtbaar zodra kosten bewegen. Denk aan stijgende logistieke kosten, hogere fulfilmenttarieven of oplopende retourstromen. Dat sturen op cijfers is belangrijk voor je webshop.

Juist nu is sturen op cijfers belangrijk. Niet om de administratie netjes te houden, maar om richting te kiezen. Je cijfers laten zien waar je marge lekt, waar je ruimte hebt en waar je moet bijsturen. Een boekhouder helpt je die cijfers te lezen alsof het een routekaart is. Zo kun je vooruit kijken in plaats van corrigeren achteraf.

Inhoudsopgave

Wat er speelt: druk op marges en stijgende kosten

De e‑commercemarkt groeit door, maar de rek in de marges wordt kleiner. Uit onderzoek van SRA blijkt dat de winstgroei in het mkb historisch laag is (SRA, 11 juli 2025). Tegelijk stijgen logistieke kosten. Vervoerders en fulfilmentcentra verhogen hun tarieven door hogere loonkosten en brandstofprijzen. In sommige sectoren slokt logistiek al 20 tot 35 procent van de marge op.

Retouren blijven een stille margedrukker. Emerce schreef in oktober 2025 dat de combinatie van retourverwerking en verzending een van de grootste kostenposten in e‑commerce is (Emerce, 8 oktober 2025).

Daar komt bij dat voorraad duurder wordt. Kapitaal zit langer vast in producten terwijl opslag- en financieringskosten oplopen. Ondernemers voelen deze beweging direct in hun cashflow.

Waarom sturen op cijfers belangrijk is voor webshop‑ondernemers

Veel ondernemers ontdekken pas bij de boekhouder hoe hun webshop er echt voor staat. Op papier lijkt de omzet gezond, maar zodra btw, fulfilment, verzending, retouren en platformkosten worden meegerekend, blijkt de werkelijke winst vaak tegen te vallen. Een product dat goed verkoopt, levert soms nauwelijks iets op. Een order waar veel tijd in gaat zitten, kan structureel verliesgevend zijn zonder dat je het doorhebt. En terwijl de omzet stijgt, blijft het banksaldo achter.

Dat gebeurt wanneer je vooral stuurt op verkoopcijfers. Omzet vertelt wat er binnenkomt, niet wat er overblijft. De cijfers onder water laten veel meer zien. Ze tonen je werkelijke brutomarge per product, inclusief alle kosten die onderweg ontstaan. Ze maken zichtbaar wat één order kost, hoe klantgedrag invloed heeft op je marge en hoeveel geld vastzit in voorraad die te lang blijft liggen.

Wie deze cijfers kent, stuurt met rust en richting. Wie ze niet kent, ontdekt te laat waar de winst verdwijnt.

Wat je nu kunt doen

Veel ondernemers weten dat ze ‘meer met hun cijfers moeten doen’, maar niet waar ze moeten beginnen. Het voelt vaak alsof je naar een dashboard kijkt zonder legenda. Juist daarom helpt het om het simpel te houden. Denk niet in rapportages of ingewikkelde tabellen, maar in een paar concrete stappen die je structuur geven en direct inzichten opleveren.

Stap 1: Ontleed je marge per product

Kijk verder dan inkoop en verkoop. Bereken de marge opnieuw met alle kosten die in de praktijk meespelen. Denk aan verzendkosten, verpakkingsmateriaal, fulfilment, betaalkosten en retouren. Leg dit per product vast. Zo zie je meteen welke producten de motor van je webshop zijn en welke producten vooral drukte veroorzaken zonder dat ze iets opleveren.

Stap 2: Bereken de kosten per order

Tijd is geld. Elke order kost handelingen: picken, packen, verwerken, klantenservice en retourbehandeling. Bereken wat een order gemiddeld kost door tijd te meten, tarieven te koppelen en variabele kosten mee te nemen. Webshops schrikken vaak hoeveel euro er per bestelling ‘verdwijnt’ nog voordat er winst wordt gemaakt.

Stap 3: Leg klantgedrag naast je kosten

Niet elke klant is gelijk winstgevend. Leg retourpercentages, orderwaardes en aankoopfrequentie naast je werkelijke kosten. Je ziet dan welke klantgroepen structureel marge opleveren en welke precies het tegenovergestelde doen. Dit helpt bij keuzes in marketing, service en assortiment.

Stap 4: Stel een minimale bestelwaarde vast

Analyseer welke orders onder de streep verlies opleveren. Kleine bestellingen trekken je marge omlaag doordat verzendkosten en handelingen relatief zwaar drukken. Door een ondergrens in te voeren, stuur je je marge direct omhoog zonder dat je prijzen hoeft te verhogen.

Stap 5: Herzie je retourbeleid

Retouren zijn duur. Kijk kritisch naar de oorzaken. Vaak kun je met betere productinformatie, meer foto’s of duidelijkere maatadviezen het retourpercentage verlagen. Overweeg om retourkosten deels door te belasten of om bepaalde productgroepen anders te behandelen. Een paar procent minder retouren kan duizenden euro’s schelen.

Stap 6: Maak drie scenario’s: neutraal, stijgend en stress

Reken door wat er gebeurt als logistieke kosten met vijf procent stijgen. Of als je retourpercentage toeneemt. Of als fulfilment duurder wordt. Scenario’s laten je zien waar je kwetsbaar bent en welke maatregelen direct effect hebben. Het geeft rust om te weten wat er gebeurt voordat het gebeurt.

Stap 7: Maak cijfers een maandelijkse routine

Plan een vast moment om samen met je boekhouder naar dezelfde cijfers te kijken. Twintig minuten is genoeg om afwijkingen te spotten: stijgende kosten, dalende marge, veranderend klantgedrag. Door maandelijks bij te sturen voorkom je dat problemen zich opstapelen en blijf je voor de cijfers uit.

De rol van CijferAdvies

Je kunt veel van de stappen hierboven prima zelf zetten. Dat is juist de kracht ervan. Maar je hoeft het niet allemaal alleen te doen. Voor veel webshops zit de uitdaging niet in het willen, maar in het vinden van tijd. De cijfers liggen er wel, maar raken verspreid over systemen, dashboards en Excel-bestanden. Daardoor duurt het te lang om alles bij elkaar te zetten en verdwijnen belangrijke signalen tussen de regels.

Daar helpen wij bij. Als administratiekantoor 2.0 kijken we verder dan de jaarrekening. We verzamelen de juiste cijfers, koppelen ze aan elkaar en halen ruis weg. We duiken in de cijfers terwijl ze nog bewegen en brengen structuur aan waar het voor jou onoverzichtelijk wordt. Zo zie je sneller waar je marge verdwijnt, welke producten geld kosten in plaats van opleveren en hoe klantgedrag zich ontwikkelt.

Het doel is eenvoudig: minder tijd kwijt zijn aan puzzelen en meer tijd hebben om te ondernemen. Sturen op cijfers is geen luxe. Het is het verschil tussen grip houden en achter de feiten aanlopen. Met de juiste inzichten stuur je rustiger en scherper. Cijfers vertellen je waar je staat. Jij bepaalt waar je heen wilt. En wij helpen je die route helder en haalbaar te houden.

Categorieën
Fiscale optimalisatie Fiscale tips & valkuilen Groei & strategie Nieuws Rapportages & dashboards

Stuur op cijfers, niet op gevoel: bouw je eigen financiële prognose

Kosten lopen op, marges verdampen en personeelstekorten blijven. Toch sturen veel ondernemers nog altijd op onderbuikgevoel. Een financiële prognose met scenario’s biedt een praktische manier om vooruit te kijken en keuzes te onderbouwen. Je berekent wat er gebeurt bij tegenvallers óf meevallers. Wat als je omzet met 20% daalt? Of je energiekosten stijgen? Of je eindelijk die nieuwe klant binnenhaalt? Scenario-planning maakt dat inzichtelijk. In geld, in tijd, in impact. Zo stuur je bewust in plaats van reactief. In dit artikel lees je hoe je als mkb’er eenvoudig drie scenario’s bouwt, welke fouten je moet vermijden en hoe wij je daarbij helpen.

Inhoudsopgave

Wat is een financiële prognose (en waarom jij die nodig hebt)

Een financiële prognose op basis van scenario’s is het maken van meerdere, onderbouwde toekomstbeelden. Geen nattevingerwerk, maar concreet rekenen en mogelijke situaties schetsen. Je gebruikt je cijfers om vooruit te kijken: wat gebeurt er met je winst, cashflow of personeelslasten bij verschillende aannames? Denk aan:

  • Een tegenvallende verkoop (worst-case),
  • Een realistische inschatting (base-case),
  • Of een onverwachte meevaller (best-case).

Dat is wat anders dan budgetteren (één verwacht scenario) of forecasting (voortschrijven op basis van trends). Scenario-planning dwingt je om vooruit te denken. Je maakt inzichtelijk wat er gebeurt als het tegenzit: bijvoorbeeld door afnemende vraag, stijgende kosten of een klant die niet betaalt. Maar ook: wat er mogelijk wordt als het meezit, zoals een nieuwe opdracht of onverwachte meevaller. Door te rekenen aan meerdere uitkomsten kun je onderbouwd keuzes maken. Niet op gevoel, maar op basis van cijfers. Dat maakt je wendbaarder, zekerder en minder kwetsbaar voor verrassingen.

Standaard rapportage bij CijferAdvies

Bij CijferAdvies bespreken we in kwartaalgesprekken vaak de actuele cijfers, ondersteund door rapportage- en dashboardsystemen. Scenario-planning bieden we aanvullend aan voor ondernemers die meer grip willen op de toekomst. Denk aan het gezamenlijk opstellen van worst-, base- en best-case scenario’s op basis van jouw cijfers, zodat je bewust keuzes kunt maken in plaats van achteraf te moeten bijsturen.

Waarom het juist nu telt

De rente is in twee jaar tijd verviervoudigd. Personeel is schaars en duur. De energierekening springt opnieuw omhoog. Tegelijkertijd slinkt de winst. Volgens het rapport Branches in Zicht 2025 van SRA bedroeg de gemiddelde winstmarge in 2024 slechts 7,6 %. Tegelijkertijd stegen de bedrijfskosten met 7,9 % en de loonkosten met 8,7 %. (SRA – Historisch lage winstgroei)

Ook blijkt uit meerdere ondernemerspanels dat 23 % van de mkb’ers in 2025 een verdere daling van hun marge verwacht. Slechts een derde voorziet verbetering. (Consultancy.nl – Marges onder druk)

Dit schetst waarom scenario-planning geen luxe is, maar noodzaak. Als je kosten sneller stijgen dan je omzet, wil je weten hoe lang je dat volhoudt en waar je moet ingrijpen.

Wat een financiële prognose met scenario’s je oplevert

Scenario-planning is geen spreadsheetspelletje voor grote bedrijven. Het is een ondernemersvaardigheid. Zeker in het mkb. Je hoeft geen controller te zijn, maar als je geen idee hebt wat een maand omzetverlies betekent voor je cashflow, vlieg je blind.

Een financiële prognose laat zien wanneer je cashpositie kritiek wordt, of je die leaseauto moet uitstellen, en wat er gebeurt als je vaste lasten stijgen of een factuur te laat binnenkomt.

Het voorkomt impulsbeslissingen. Je maakt keuzes op basis van rekenwerk, niet onderbuik. En je weet eerder waar de pijn zit, zodat je op tijd kunt bijsturen.

Ondernemers die vooruitkijken, wachten niet op cijfers achteraf. Ze plannen met scenario’s. En ze herstellen sneller van tegenslagen. Niet omdat ze alles weten, maar omdat ze voorbereid zijn.

Zo maak je zelf een financiële prognose met drie scenario’s

Je hoeft geen controller te zijn om scenario’s te bouwen. Maar het helpt wél om er af en toe even één te spelen of in huren. Scenario-planning dwingt je om vooruit te kijken, keuzes te beargumenteren en risico’s onder ogen te zien. Je ziet eerder waar je ruimte hebt én waar het krap wordt. Dat maakt je als ondernemer wendbaarder en minder afhankelijk van onderbuikgevoel.

Dit is een vereenvoudigde 3-stappenaanpak zoals we die vaak met klanten doorlopen. In werkelijkheid vraagt het iets meer denkwerk, maar dit helpt je snel op weg:

1. Breng je belangrijkste cijfers in kaart.

Denk aan omzet, directe kosten, personeelskosten, marge, cashflow of rentelasten. Kies de variabelen of kpi’s waar jij invloed op hebt én waar je actief op stuurt. Die vormen de basis van je scenario’s.

2. Werk drie scenario’s uit.

Kijk per variabele wat er gebeurt in een slecht, gemiddeld en gunstig scenario.

  • Worst-case: omzet daalt met 20 procent, kosten stijgen, investeringen worden uitgesteld.
  • Base-case: stabiele omzet, lichte groei, beheersbare kosten.
  • Best-case: nieuwe opdracht, hogere marge, ruimte voor uitbreiding.

3. Vertaal het naar een dynamisch overzicht.

Dat kan in Excel, maar slimmer is een dashboard dat live meebeweegt met je boekhouding. Wij koppelen bijvoorbeeld aan E-Boekhouden en bouwen scenario’s in die gebaseerd zijn op jouw actuele cijfers. Zo weet je niet alleen waar je nu staat, maar ook wat je moet doen als het mee- of tegenvalt.

Voorbeeld

Een installatiebedrijf met 12 fte draait €200.000 omzet per maand. In het worst-case scenario daalt de omzet 20%, rentelasten stijgen, en het saldo staat binnen 4 maanden rood. In de base-case blijft de omzet stabiel met lichte groei, worden kosten beheerst en blijft het saldo neutraal: geen ruimte voor grote stappen, maar wel rust. In best-case is er ruimte voor investering in extra gereedschap of uitbreiding van het team.

De valkuilen van scenario-planning

De grootste fout? Een model bouwen en het vervolgens in de kast leggen en er nooit meer naar kijken. Scenario’s zijn pas waardevol als je ze regelmatig bespreekt en bijstuurt.

Een tweede valkuil: te rooskleurig zijn. Ondernemers denken vaak in kansen (terecht), maar vergeten de risico’s. Een goede adviseur spiegelt je ook het ongemakkelijke scenario.

Tot slot: begin niet te complex. Liever drie simpele scenario’s dan één over-gecompliceerd model waar niemand iets mee doet.

Wat wij bieden: van dashboard tot sparringpartner

Je hoeft geen controller te zijn om grip te krijgen op je cijfers. Maar het helpt wél als iemand naast je zit die structuur brengt, meedenkt en de vertaalslag maakt. Wij helpen ondernemers met slimme dashboards, realtime rapportages én – als het nodig is – een interim controller of financieel sparringpartner. Geen rapporten voor de bureaula, maar gesprekken die richting geven.

Onze aanpak combineert structuur in je administratie (voor betere datakwaliteit), duidelijke dashboards met scenario’s, periodiek overleg met jouw CijferAdviseur én sparren over keuzes zoals inkoop, personeel of investeringen.

Financieel plannen is geen jaarlijkse verplichting, maar een manier van ondernemen. En wij zorgen ervoor dat je het ook daadwerkelijk voor jou gaat werken.